september 16, 2007

Column 19 september

Het is niet zoals ik het me had voorgesteld. Totaal niet. Twee weken na aankomst is er bijna niks overgebleven van het oorspronkelijke plaatje in mijn hoofd. Uit elkaar gespat. Onherstelbaar beschadigd. Maar teleurgesteld ben ik zeker niet. Hier op de campus van Furman University is het boven verwachting leuk. Ik ben opgevangen in een warm bad van hartelijke mensen en internationale studenten. Ik zal nooit klagen over de vriendelijkheid van het Zuiden van de VS. Mensen groeten elkaar hier zelfs op straat.

Hoewel de eerste dagen wat onwennig waren, viel alles al gauw op zijn plek. Je wordt vanzelf meegesleurd in de melee van kennismakingsactiviteiten van de introductieweek. Zo heb ik onder andere ’s nachts gevolleybald, gedanst op een heuse rave en me vooral heel erg vaak voorgesteld. Wat dat betreft zou ik mijn naam beter kunnen veranderen in Mike. Herwin bekt niet zo lekker voor Amerikanen. Het beste wat ze er van maken is Hurwin of Hairwin.

In die introductieweek leer je ook de campus kennen. Het is hier werkelijk waar prachtig. De natuur was nog nooit zo dicht bij. De campus is gesitueerd rondom een meer waar eenden en zwanen hun rondjes zwemmen. Op het land huppen verschillende soorten eekhoorns over de altijd groene grasvelden. Kom je iets te dichtbij dan sprinten ze naar de dichtsbijzijnde boom en zijn ze zo verdwenen. Dieren genoeg. Ik heb zelfs al een moedereend met tien kleine kuikentjes zien waggelen door de bosjes.

Niet alleen de flora en fauna hebben indruk gemaakt, ook de gebouwen en fonteinen mogen er zijn. De bibliotheek bijvoorbeeld is alles wat je er van verwacht. Groots, pompeus en klassiek. Compleet met zuilen en inscripties. De vijf fonteinen op het terrein geven dat extra beetje elegantie. Mijn onderkomen is eveneens dik in orde. Ik deel mijn kamer niet met een “roommate” die te laat gaat slapen en muziek draait die ik niet leuk vind. Ik woon met drie andere studenten in een appartement en we hebben elk onze eigen slaapkamer.

Het enige minpunt is misschien het eten. Ik heb een “meal plan” aangeschaft, een strippenkaart voor het eten. Drie keer per dag kan ik naar de universiteitskantine om mijn portie kip of stoofvlees op te scheppen. De hamburgers en friet zijn in geen velden of wegen te bekennen, maar veel variatie is er niet. Elke morgen, middag en avond hetzelfde. Gelukkig heb ik een eigen keuken in mijn appartement. Nu eerst iemand vinden die ons naar de supermarkt wil rijden.

Deze column is onderdeel van een tweewekelijkse serie te lezen op www.emmen.nu en in de papieren variant daarvan.

september 12, 2007

Column 5 september

Eindelijk hem ik ‘m. Mijn visum voor de Verenigde Staten. Het heeft wat voeten in de aarde gehad, maar vandaag heb ik het kleinnood van het postkantoor gehaald. (Ik was niet thuis toen de postbode voor mijn deur stond).  

Vorige week stond ik nog in alle vroegte voor de hekken van het Amerikaanse consulaat in Amsterdam. Het kost €15 om überhaupt een afspraak te maken. Voor dat geld verwacht je een klein beetje service. Maar nee. De dag van tevoren belde een medewerker mij om de afspraak te verzetten naar 8.30 uur in plaats van ergens in de middag. Nogal een ingrijpende wijziging als je vanuit Groningen moet komen.  

Het consulaat zelf is bijna een gevangenis. Hoge stalen hekken omringen het statige pand. Bij binnenkomst bonjourde de beveiliging mij twee keer door een metaaldetector en fouilleerde mij uitgebreid. Na een poosje in de wachtkamer mocht ik naar loket 4 om mijn visum aan te vragen.  Een klein kruisverhoor later vertelde de vriendelijke mevrouw mij dat alles in orde was. Alleen mijn vingerafdruk moest ze nog nemen. Over een paar dagen zou mijn visum per aangetekende post arriveren 

Het stelt eigenlijk niet zoveel voor, dat visum. Een gepimpte sticker die in mijn paspoort is geplakt. Mijn serieuze hoofd en kale gegevens zijn er met zwarte inkt opgedrukt. Bovenaan staan de belangrijke woorden “Visa” en “United States of America”. Deze sticker zorgt ervoor dat ik de komende maanden in het land van de onbegrensde mogelijkheden mag verblijven. 

Op 4 september vertrek ik namelijk voor een half jaar naar de VS. Een grootse onderneming voor iemand die getogen is in Emmer-Compascuum en de middelbare school doorliep in Ter Apel. Om te gaan studeren in Groningen was al een grote stap, maar dit is van een andere orde. Een half jaar zonder vrienden en familie, aangewezen op mezelf.  

Ik studeer nu twee jaar American Studies aan de Rijksuniversiteit Groningen. Bij mijn studie leer ik alles over de VS: de geschiedenis, wetgeving, cultuur en de Engelse taal. Het is niet meer dan logisch dat bij zo’n studie een verblijf in de VS hoort. Furman University in Greenville, South Carolina is de bestemming, de universiteit waaraan ik een half jaar zal studeren. 

Bij de voorlichting is mij verteld dat Greenville de enige stad ter wereld is waar de studenten rechtser zijn dan de bewoners. Dat betekent veel rijkeluiskindjes die pro-Bush zijn. Ik ben benieuwd in hoeverre dit klopt. 

De komende maanden zal ik tweewekelijks verslag doen van mijn belevenissen. Hoeveel is er waar van wat er over de VS wordt beweerd? Ik ga op onderzoek uit!

Deze column is onderdeel van een tweewekelijkse serie te lezen op www.emmen.nu en in de papieren variant daarvan.

september 5, 2007

Dinsdag: De dag van vertrek en aankomst

Ik ben er! Inmiddels al vijf dagen en het bevalt prima. Ik zal elke dag tot nu toe in een aparte post beschrijven. Te beginnen met de dag van vertrek, dinsdag.

De dag begon vroeg, want om 4.30 uur ging de wekker. De dag van tevoren had ik Pay en Marlies opgehaald van het busstation in Emmen om 0.30 uur. Zij wilden mee naar Schiphol de volgende dag en konden niet eerder komen vanwege de opening van het academisch jaar. Zodoende zat ik met drie uur slaap achter het stuur om ons naar Schiphol te rijden. Dat ging nog vrij goed ook.

Na twee en een half uur parkeerden we de auto voor vertrekhal drie om alles uit te laden. Ik ging naar binnen om in te checken. Nicoline en haar ouders stonden al in de rij. Normaal gesproken kruip ik nooit voor, maar ik heb het toch maar gedaan. Anders zou het lastig worden om naast elkaar te zitten in het vliegtuig. Het inchecken ging soepel. Om 9 uur moesten we ons melden bij de security.

Mijn ouders hadden inmiddels de auto geparkeerd. Met z’n vijven hebben we koffie/thee gedronken en iets gegeten. Ik had een muffin om alvast te acclimatiseren aan de VS. Het viel me eigenlijk best mee om daar te zitten. Je bent een uur aan het wachten om afscheid te nemen, maar ik heb geen moment een vreselijk gevoel gehad.

Om 9 uur was het moment dan toch daar. Toen ik zag hoe moeilijk mijn moeder het had, werd ik wel emotioneel. Het was heel raar om afscheid te nemen, in de rij te gaan staan voor de paspoortcontrole en vervolgens om het hoekje te gaan. Vaak heb ik me omgedraaid in de rij om te zwaaien, maar eenmaal linksaf geslagen kon dat niet meer. Poef. Weg.

Ik liep langs de winkeltjes met mijn hoofd nog bij het afscheid. Gate G18 was nog best een eind.

Bij de gate moest ik door de echte security. Eerst werd ik zoals gebruikelijk ondervraagd. Waar en wanneer mijn koffers waren ingepakt. Door wie. Of ik nog vreemde pakketjes had aangenomen. Enzovoorts. Ik wist wat ik kon verwachten aangezien ik in 2003 hetzelfde heb meegemaakt toen we naar de V.S. gingen met het gezin. Geen probleem dus. Op naar de metaaldetector! Schoenen uit, riem af, jas, portemonnee en mobiel in een bakje, laptop uit de laptoptas halen (de laptop moet apart door de X-Ray) en gaan. Foutloos. Ik mocht doorlopen.

 Nicoline zat al te wachten. We hebben een half uur gewacht voordat we mochten boarden. Op zonenummer. Ik heb geen idee op basis waarvan de zonenummers worden bepaald. Je verwacht een logisch systeem waarbij de mensen bij het raam het eerst mogen instappen zodat iedereen vlot door kan lopen in het vliegtuig. In de praktijk pakt het iets anders uit en sta je alsnog te wachten totdat iedereen zit.

Om iets na half elf in de ochtend steeg het vliegtuig eindelijk op. Op weg naar Atlanta. Op weg naar drie maanden zonder Nederland.

Negen uur en vijftien minuten duurde de vlucht. Dat is lang, maar niet zo lang als het lijkt. We hadden namelijk vermaak vlak voor onze neus in de vorm van een touchscreen. Hierop kon je niet alleen films, tv series, documentaires en andere vormen van visueel plezier aanschouwen, maar je kon ook spelletjes doen. Zo waren we al gauw verslingerd aan de triviaquiz: een meerkeuzequiz à la Lotto Weekend Miljonairs tegen andere passagiers. Na elke vraag zie je een ranglijst met het aantal punten van elke meespelende passagier. Bob op stoel 22B bleek een geduchte tegenstander. Maar Bob was niet goed genoeg. De eerste ronde van twintig vragen werd een overduidelijk Nederlands een-tweetje. De rondes daarna ging het iets minder.