december 16, 2007

Charleston: palmen en pijpenstelen

Aan het begin van het jaar wist ik het wel. Ik wou óf naar Flagstaff óf naar Charleston. Flagstaff voor de Grand Canyon, Charleston voor het strand en de palmbomen. Ik ben nu drie dagen in Charleston en ik moet zeggen dat het hier mooi is. Mooi, maar niet de Los Angeles-taferelen die ik me had voorgesteld. Geen stelletjes en skaters die flaneren over de boulevard. Het strand is zelfs niet binnen loopafstand. Het is allemaal wat minder romantisch en glamoureus als de verhalen over strand en palmbomen doen vermoeden.

Desalniettemin is het zeker de moeite waard om Charleston te zoeken. (Doe het dan wel in de zomer). Maar om er te studeren? Nee. Ik ben (achteraf) blij dat ik naar Furman gestuurd ben. De buitenlandervaring was voor mij een stuk minder geweest in Charleston dan in Greenville. Ik heb echt het gevoel gehad dat ik mezelf op een positieve manier moest aanpassen. Ik moest als het ware integreren. Nederlands heb ik op de campus nauwelijks gesproken. Af en toe met Nicoline, maar het overgrote deel van de gesprekken met andere studenten werd in het Engels gevoerd. Ik ben daardoor ook een stuk zekerder over mijn Engels geworden. In Charleston had ik denk ik minder hoeven integreren.

Vrijdag ben ik naar een oude plantage (Drayton Hall) geweest met Nicoline en Arlene van American Studies, het tweelingzusje van Arlene en een vriendin daarvan. De twee rondleidingen die we hebben gehad waren wel okee. Echt veel historie tref je natuurlijk nooit aan in Amerika. Het huis dat we konden bezichtigen was niet indrukwekkend voor Europeanen. Het weer maakte een hoop goed. 25 graden en windstil. Ideaal strandweer zo in december!

Gisteren was het weer een stuk minder. Regen en storm. Grappig hoe het zo ineens om kan slaan aan zee. Ik wou de stad verkennen, maar werd ontmoedigd door het slechte weer. ’s Avonds hebben ik met de ‘plantagegroep’ iets gedronken bij een Cubaans café. Om twee uur werden we eruit gekickt en zijn we naar huis gegaan. Dat was voor mij nog een heel stuk lopen naar het hostel.

Vandaag heb ik ‘The Battery’ verkent. Dat is de boulevard waaraan rijke mensen wonen. De huizen zijn werkelijkwaar prachtig! ’s Avonds ben ik naar een park gereden waar een ‘Festival of Lights’ aan de gang was. Het kostte tien dollar, maar het was het waard. Verschillende thema’s werden uitgebeeld met lichten en lichtslangen. Ik heb nog nooit zoveel lichtjes gezien in mijn leven!

Morgen? Morgen ga ik naar Savannah. Onderweg stoppen in Beaufort, een oude koloniale stad. Het wordt lange, maar mooie dag.

P.S. Ik heb alle foto’s en filmpjes online gezet! Kijk rechts in het menu voor de links.

december 11, 2007

Afslag Furman

Het is alsof je in een andere wereld terecht komt als je afslaat van Poinsett Highway. Een enorme fontein begroet je bij het binnenrijden van Furman University. De grote hekken geven het gevoel alsof je een pretpark binnenrijdt, maar dan wel een intellectueel pretpark. Mickey Mouse zul je hier niet aantreffen. Hoogstens de mascotte van het American Football team: een blikken ridder te paard.

Ook geen achtbanen, spookhuizen of andere attracties. Maar de campus heeft wel een ander kenmerk dat het aan een pretpark doet denken: het is een klein paradijs afgesloten van de grotemensenwereld. Een studentenenclave. Zo zou ik de campus willen omschrijven. Een groot stuk afgebakend land rondom een meer waar intelligente jongeren aan hun toekomst werken.

Een Mickey Mouse-figuur uit de Lage Landen beweerde ooit eens dat elk voordeel zijn nadeel heeft. Zelfs in de VS waar voetbal niet erg populair is, gaat dit inkoppertje op. Studeren op een campus met 2000 studenten is een positieve beleving. Je bent hier allemaal voor hetzelfde en kunt elkaar daarin steunen. Ik kan na drie maanden wel zeggen dat er op Furman een ons-kent-ons-sfeertje hangt.

En precies hierin schuilt het gevaar. Je bent alleen maar omringt door medestudenten. Continu ben je op een plek waar het hoofddoel onderwijs is. Helemaal als je, zoals ik, geen auto hebt en dus nergens gemakkelijk heen kunt. Bovendien wordt er drie keer per dag eten voor je bereid. Soms krijg ik het gevoel dat ik deel uitmaak van een geoliede machine waarbij de dag een cyclus is van vier activiteiten: lessen volgen, eten, studeren en slapen.

Dan is Groningen een heel ander verhaal. Ook al bestaat een kwart van de bevolking uit studenten, het leven in de stad is een stuk afwisselender. Na college beweeg ik me tussen mensen van alle leeftijden, ga ik lopend naar de winkel en kook ik mijn eigen eten. ‘s Avonds spreek ik af met vrienden en drinken we een pilsje. Studeren is nog steeds het belangrijkste doel, maar de omgeving waarin dat moet gebeuren is minder monotoon.

Het verschil tussen leven in een stad en studeren op een campus is groot. Op Furman leef je als het ware in een grote zeepbel die moeilijk te doorbreken is. Ik merk dat Furman-studenten daardoor minder zelfstandig zijn dan ik. Een fatsoenlijke maaltijd kan bijvoorbeeld niemand koken.

Laat dit dan ook mijn betoog zijn tegen een campus op het Zernike-complex. Groningen blijft wat mij betreft campusvrij. Al is het maar om de kookkunsten te garanderen.

Deze column is onderdeel van een tweewekelijkse serie die verschijnt in Emmen.nu.

december 10, 2007

De Grote Reis

reis door amerika

Nog maar drie nachtjes slapen en dan begin ik aan een grote reis! Donderdag is het afgelopen met een plekje in de boeken en tijd voor een plekje achter het stuur. Ik huur een auto en ga samen met Nicoline naar Charleston, waar ik drie dagen blijf. Vervolgens gaat zij naar New Tork en ik iets naar het zuiden naar een andere koloniale stad, Savannah. Dan door naar Atlanta waar ik op de 23e Tessa op ga halen van het vliegveld. We rijden gelijk door naar Washington D.C. om daar de kerst door te brengen. Met Oud en Nieuw staan we op Times Square in New York. Op 1 januari beginnen we aan de barre tocht naar Greenville, South Carolina. Furman University is het beginpunt en ook de eindbestemming van de reis. Op 6 januari vliegen Tessa en ik terug naar Nederland.

Laat het maar beginnen. Nog één tentamen en ik ben ‘on the road’!

november 25, 2007

Vogelvrij

“U rijdt naar huis en hoort uw mobiele telefoon rinkelen. Mag u deze opnemen tijdens het rijden?”

 

Het is even geleden dat ik mijn rijbewijs heb gehaald, maar af en toe is het leven nog steeds een theorie-examen. Tijdens een rit naar huis maakte ik me boos over een gevaarlijke manoeuvre van een automobilist. Toen ik zag dat hij ook nog eens aan het bellen was, kwam er een extra stel scheldwoorden uit mijn mond. Een seconde later realiseerde ik dat ik fout zat.

 

In een overgrote meerderheid van de staten in Amerika is het antwoord op de openingsvraag namelijk “ja”. Bellen achter het stuur mag. Geen onnodig gehannes met handsfree sets zodat je je handen aan het stuur kunt houden. In een soepele beweging tover je je mobiel uit je jaszak zoals we dat vroeger in Nederland ook deden.

 

De oorzaak dat rijdend bellen niet verboden is ligt in de Amerikaanse cultuur. Volgens het volkslied is Amerika ‘the land of the free’. Vrijheid gaat boven alles. De overheid moet zich niet bemoeien met het leven van individuele mensen. Als je aan persoonlijke vrijheden komt, kom je aan de ziel van de natie.

 

Amerikanen zijn fel tegen betuttelend beleid. Gaat in Nederland de discussie over het verplicht dragen van een fietshelm, in de VS doen ze niet moeilijk over helmloze motorrijders. In dertig van de vijftig staten mag je als volwassene zonder helm rondrijden op je Honda of Harley. Het is immers jouw eigen verantwoordelijkheid en niet die van de overheid.

 

Er is echter een vreemde eend in de bijt: de roker. In Nederland inmiddels aangeschoten wild, maar in de VS al jarenlang behandeld als een paria. Roken valt blijkbaar niet onder het kopje ‘persoonlijke vrijheden’. Veel staten verbieden het roken in openbare gebouwen, restaurants en cafés, iets dat in Nederland pas volgend jaar volledig gebeurt.

 

Roken heeft bovendien een ernstig imagoprobleem. Ook al zou je het niet zeggen, gezondheid staat hier hoog in het vaandel. Hoe verklaar je anders de vele lightproducten in de schappen, de talloze diëten en afslankproducten en de verheerlijking van Olympische atleten. Roken doe je niet. Je lichaam is een tempel.

 

Logisch nadenken leert dat bellen achter het stuur of motorrijden zonder helm ook nadelig kan zijn voor je gezondheid. Eén rampzalig ongeluk en je brengt je lichaam meer schade toe dan na veertig jaar paffen. Maar dat is schijnbaar geen argument.

 

Dit stukje heeft mij inmiddels de ogen geopend. Ik ga mijn grenzen verleggen. Vaak hoor je verhalen van buitenlanders die naar Nederland willen komen om wiet te roken omdat dat in eigen land verboden is. Nu ga ik in Amerika iets doen dat niet mag volgens de Nederlandse wet. Ik huur een motor en ga met mijn wapperende haren urenlang ongestoord bellen met al mijn vrienden. Gewoon omdat het kan. Zo vrij als een vogel.

 

Deze column is onderdeel van een tweewekelijkse serie die verschijnt in Emmen.nu.

november 14, 2007

En de winnaar is…

Na twee maanden hier op Furman is het tijd om de balans op te maken. Hoe kan ik beter mijn waardering en afschuw voor bepaalde dingen tonen dan door awards uit te delen. Negen in totaal. En de winnaar is…

 

Meest onweerstaanbaar

De toetjes in de dining hall. Elke keer als je naar buiten loopt moet je gewoon een versgebakken koekje, een superzachte donut of een ijsje nemen.

 

Grootste voordeel van goedkope buitenlandse werkrachten

Tegenwoordig is het noodzakelijk om te allen tijde bereikbaar te zijn. Gelukkig kon ik bij Wal-Mart een prepaid mobiel kopen voor maar 18 dollar! Leve China!

 

Slechtste beslissing

De enige plek op de campus waar je enigszins fatsoenlijke koffie kunt kopen is Einstein Bros. Maar zelfs daar gaat het bergafwaarts. Het is nog niet eens winter en nu al hebben ze de herfstmelange vervangen door een wintervariant. Nooit meer koffie met kastanjearoma. We moeten het doen met kaneelkoffie.

 

Voldoet niet aan de verwachtingen

Het American football team. Ze zeggen dat ze het talent hebben, maar dit jaar hebben ze de playoffs niet gehaald. Wel een duim omhoog voor de gewonnen homecoming-wedstrijd tegen Elon: 52-49.

 

Meest irritante geluid dat je ’s nachts wakker houdt

Vlak bij mijn raam staat een groot vierkant ding. Ik denk dat het iets met de airconditioning te maken heeft. Wat het ook is, het zoemt de hele dag door. Het houdt maar niet op. Gelukkig heb ik Jens Lekman ontdenkt!

 

Meest sneue afkorting die alleen 12-jarige jongetjes cool vinden

Naast de dining hall staat een fastfood restaurant: het “Pala Den Food Court.” Dat is natuurlijk te lang om elke keer te zeggen. Ik zeg meestal Pala Den. De rest houdt het op P-Den. Jammer.

 

Grootste verrassing

Ik dacht dat Amerikanen geen voetbal konden spelen. Zat ik even fout! Het mannenteam van Furman is goed. Erg goed. Ze staan in de landelijke top twintig. Al moet ik daarbij wel opmerken dat ze een aantal buitenlandse spelers hebben en een Engelse coach. De vrouwen zijn ook niet slecht trouwens.

 

Beste studieonderbreking

Soms maak je lange dagen in de bieb. Je hebt een toets, een essay dat morgen moet worden ingeleverd of allebei. Gelukkig waren er in de bibliotheek mieren. Er is niks verfrissender dan na een tijdje in de boeken de mieren van je jas en tas af te moeten slaan. Dan ben je er weer helemaal bij.

 

Meest ongelukkige dood

Een paar weken geleden viel de stroom uit op de campus. Achteraf bleek dat een eekhoorn zichzelf had geëlektrocuteerd. Ik heb via de wandelgangen vernomen dat de Hoge Raad der Eekhoorns de arme ziel ter dood had veroordeeld, omdat hij de beruchte gouden eikel had gestolen. David Shi, de rector van Furman, was onbereikbaar voor commentaar.

november 13, 2007

Blijven Oefenen

Ik kom net thuis van een basketbalwedstrijd. Alweer verloren. 91-46 tegen de grote rivalen van Clemson University, zo’n 45 minuten rijden van Furman. Alex, een vriend die boven mij woont, speelde mee. Het was David tegen Goliath. Furman is maar een kleine universiteit met ruim 2.000 studenten tegenover Clemson dat 17.000 man sterk is. (En dat terwijl in het stadje Clemson nog geen 12.000 mensen wonen). Ze hebben simpelweg meer geld en een grotere poel om uit te vissen.

 

Dat we bijna met dubbele cijfers zijn ingemaakt deed niets af aan de beleving. Het bijwonen van een wedstrijd van wat voor sport dan ook is een totaal andere ervaring dan in Nederland. De pasjes van de cheerleaders, de deuntjes van de fanfare, de gratis T-shirts die het publiek in worden gegooid. Amerikanen moeten elke minuut vermaakt worden. Het publiek doet fanatiek mee. Ik geloof dat ik nog nooit zoveel mensen zo gepassioneerd een scheidsrechter heb horen uitjouwen.

 

Jong en oud was op de wedstrijd afgekomen. Natuurlijk waren er veel studenten te vinden, uitgedost in het oranje van Clemson, die hun universiteit aanmoedigden. Maar er waren minstens zoveel niet-studenten. Mensen die in een ver verleden gestudeerd hebben aan de universiteit. Oud-studenten blijven vaak hun leven lang fan van de sportteams. Gezellig een avondje met het gezin naar een wedstrijd toe is het credo.

 

Als je een sport wilt beoefenen, doe je dat in Amerika voor een school of universiteit. Er bestaan geen clubteams zoals FC Groningen of E&O. Als je het Amerikaanse systeem toepast in Emmen, krijg je bijvoorbeeld de Esdal Tijgers of de Hondsrug Hunebedden. Het nadeel is dat je goed moet zijn om in het team te komen. Hier wordt immers de jeugd opgeleid die later professioneel de sport moet gaan beoefenen.

 

Het klinkt misschien lachwekkend, maar het lachen vergaat je gauw als je de bedragen hoort waar het om draait. Sport is ‘big business’. De wedstrijden tussen universiteiten worden live uitgezonden op tv. Het tv-station CBS heeft de rechten voor het mannenbasketbal gekocht voor ruim 380 miljoen euro per jaar. Onthoud dat het hier niet om de NBA gaat, de professionele basketbalcompetitie. (Ter vergelijking, de Nederlandse voetbalrechten zijn zo’n 70 miljoen euro per jaar waard). Topcoaches in het basketbal verdienen in het universiteitencircuit makkelijk meer dan $1 miljoen.

 

Zo’n fors salaris ontvangt de hoofdcoach van Furman niet. Ondanks het kleinere budget, is de prestigestrijd er niet minder om. Om zo goed mogelijk te presteren in verschillende sporten worden studenten uit het buitenland gehaald om hier te basketballen, voetballen of zelfs te tennissen. Ze krijgen hun volledige opleiding vergoed door Furman.

 

Je hoeft dus niet per definitie slim te zijn om te studeren aan een universiteit. Dat geldt zeker voor Alex, een vriendelijke reus die met zijn twee meter een aardig potje kan basketballen. Maar zo soepel als de bal door de ring gaat, zo stroef gaat Alex de boeken in. Als hij in Australië was gebleven had hij nu allang gewerkt, zegt ‘ie zelf. Zijn leven staat in het teken van basketbal.

 

Blijven oefenen, Alex. Dan winnen we hopelijk volgende week.

 

Deze column is onderdeel van een tweewekelijkse serie te lezen in Emmen.nu

oktober 29, 2007

Slappe Hap

Wat was ik blij toen ik het overlevingspakket van mijn vriendin uitpakte. Niet zozeer vanwege de zoute drop of droge worst, hoewel ik dat hier natuurlijk niet kan kopen. Nee, het gelukkigst was ik met de extra grote reep van Verkade. Eindelijk een stuk fatsoenlijk chocolade.

 

De chocolade hier is niet om over naar huis te schrijven (maar ik doe het toch). Het is een smakeloos, bruin goedje met meer conserveringsmiddelen dan cacao. Althans zo smaakt het. Het maakt niet uit welk merk je probeert, van Hershey’s tot Snickers, je tong maak je er niet blij mee.

 

Maar hier houdt het niet op. Ook andere levensmiddelen zijn niet zo smaakvol en krachtig als in Europa. Er zijn bijvoorbeeld vele soorten kaas te krijgen. Cheddar is zonder twijfel het populairst en wordt bijna overal bij gegeten: van pasta’s tot salades. Maar de Amerikaanse Cheddar is niet de pittige Cheddar uit Engeland. Bovendien smaakt het bijna identiek aan de andere soorten kaas die te krijgen zijn. En dan te bedenken dat de VS de grootste kaasproducent ter wereld is. (Het meeste daarvan wordt trouwens niet geëxporteerd—ik weet wel waarom).

 

Ook hier blijft het niet bij. Wat drink je na het avondeten als het achtuurjournaal begint? Juist. Een goede kop koffie. Dat ik het journaal moet missen is even niet anders, maar zelfs een fatsoenlijk bakkie zit er niet in. De koffie is net thee. Het is zo waterig dat je bijna de bodem van het kopje ziet. Hoewel kopje? Koffie wordt standaard geserveerd in een papieren beker. Drie dollar in een stuk papier. Het moet toch niet gekker worden.

 

Laatst bestelde ik koffie op een diner voor uitwisselingsstudenten. De lieve mevrouw die het inschonk vertelde mij dat het cafeïnevrije koffie was. Toen ik vroeg waarom zei ze op pedante toon: “Maar je wil toch niet de hele nacht opblijven?” Ik wilde zeggen dat dat helemaal niet kon van die slappe Amerikaanse pleur, maar ik hield het voor me. De koffie is misschien niet fatsoenlijk, maar ik wel.

 

Amerikaans bier lijdt aan hetzelfde syndroom als de koffie: te waterig. Soms zou je zweren dat je festivalbier aan het drinken bent. Helemaal als de barman het ook nog in plastic bekers tapt. Ik heb me laten vertellen dat het best verkochte bier van dit moment Budweiser Light is. Een week geleden kwam ik tot een grote ontdekking. Het “light” achter de naam slaat niet op het alcoholpercentage, maar op het aantal calorieën. Dieetbier dus. Sonja Bakker: maak hiervan een dieet en je maakt een hoop mensen gelukkig.

 

Het lijkt er dus op alsof Amerikanen een zeer zwak smaakpalet hebben. Dat ik daar het slachtoffer van word, is tragisch. Dus ik zou zeggen: Kom maar door met die pakketten! Het is bijna Sinterklaas en ik lust wel een paar pepernoten. Klik op “contact” boven in het menu voor mijn adres.

 

Deze column is onderdeel van een tweewekelijkse serie te lezen in Emmen.nu

oktober 26, 2007

Rugby ftw!

Een hoofdstad. Het heeft iets magisch. Zoals iedereen naar Amsterdam wil als hij of zij in Nederland is, wil iedereen  naar Washington D.C. als diezelfde hij of zij in de V.S. is.

Nee, nu lieg ik. Washington spreekt niet tot de verbeelding. Mensen gaan liever naar New York of Los Angeles. Dat kennen ze uit de films. Desalniettemin willen veel Amerikanen graag naar de hoofdstad. Je moet er eens in je leven geweest zijn. Waarom? Vanwege de monumenten.

Afgelopen weekend heb ik het zelf kunnen ondervinden. Het Cross Culture Network organiseerde een vierdaagse trip naar D.C. Met z’n veertienen stapten we in het te krappe busje om vervolgens negen uur later weer uit te stappen. Het was even wachten op onze gastgezinnen, maar uiteindelijk gingen Daniel (uit Zuid Afrika) en ik mee met Bob en Sue Roeder. Een fantastische keuze, want Bob en Sue hadden een ruim huis en waren vrij liberaal. We hoefden niet eens te bidden voor het eten!

Daniel en ik hadden ons eigen “appartement” in de kelder met een eigen badkamer, tv en zelfs een loopband voor de broodnodige beweging. Elke morgen had Sue een lekker ontbijt klaargemaakt. ’s Avonds, na een dag Washington, stond er een prima maaltijd opt tafel. Behalve de laatste avond. Toen namen ze ons mee uit eten. Geen enkele reden om te klagen dus!

We gingen Washington elke dag met de metro in. Veertig minuten na het instappen stonden we midden op the National Mall, het gigantische grasveld in het centrum van D.C. Rondom staan de musea van het Smithsonian en aan de uiteinden the Capitol  en het Washington momument.

Van de musea heb ik in twee dagen het National Museum of Natural History, het Air and Space Museum en het American Indian Museum gezien. De eerste zou ik afraden (te saai, maar ga wel naar een Imax voorstelling!), de tweede ben ik maar kort geweest (en ik heb de Enola Gay gemist!) en van de Indianen heb ik eigenlijk alleen de wc gezien (ik moest nodig). Gelukkig kom ik in december terug om het museumgedeelte nog eens over te doen.

De eerste dag hebben we een tour van the Capitol gehad en van the Library of Congress. Beide waren erg indrukwekkend. Het is onvervalste Amerikaanse “geschiedenis”. Op de tweede dag heb ik de meeste van de monumenten gezien. Ook al lijkt het Washington monument op een uit de kluiten gewassen fallus, van dichtbij maakt het indruk. Je kan bovendien in de verte the Lincoln Memorial zien. Het Tweede Wereldoorlog Monument en the Vietnam Memorial vallen een beetje tegen, maar Lincoln maakt alles goed.

Het hoogtepunt van het weekend had echter vrij weinig met Washington te maken. Op zaterdagmiddag om 3 p.m. vond de finale van het WK rugby plaats. Zuid Afrika speelde tegen Engeland dus Daniel moest en zou het zien. ’s Ochtends hadden we een Ierse pub gelocaliseerd, maar toen we een kwartier voor het begin van de wedstrijd er waren bleek dat we de populariteit van de sport hadden onderschat. Een lange rij stond te wachten tot ze naar binnen mochten, maar vanwege de brandveiligheid kon er alleen iemand in als er iemand uitging. Gelukkig had Daniel zijn huiswerk goed gedaan. Hij belde met the Elephant and Castle, een andere Engelse kroeg die hij ’s ochtends had gegoogeld. Daar bleken ze de wedstrijd uit te zenden. Bliksemsnel waren we met een taxi bij het pand. We hadden uiteindelijk maar tien minuten van de wedstrijd gemist.

De kroeg zat vol met Engelsen, maar een kleine Zuid Afrikaanse kolonie in het midden kon het hardst lachen na het laatste fluitsignaal. Zuid Afrika won met 16-5 in een spannende, moeilijke pot rugby. Daniel en ik hebben nog gezellig een biertje gedronken met de fans van de Springbokken. Ze bleken bijna allemaal te werken bij de wereldbank.

Een poging om Afrikaans met ze te praten was redelijk succesvol. Veel woorden zijn hetzelfde, maar vaak is de uitspraak iets anders. Zo maken ze van “blij” bijvoorbeeld [blee]. En een “beetje moe” wordt een [bekie moeg]. Op spreeksnelheid is het lastig te verstaan, maar op basis van losse woorden kom je er wel uit. Fascinerend.

We kregen nog een lift van een van de Zuid Afrikanen naar het rendez-vous punt. Daarna was het in de metro terug, uit eten met Bob en Sue, slapen en weer negen uur in dat klotenbusje terug. De volgende keer ga ik wel met de trein!

Alle 275 foto’s zijn te vinden op mijn Flickr-pagina. Don’t be shy!

oktober 15, 2007

De A van …

Ik heb ‘m! Mijn eerste A! Het zou de titel van een boekje voor kleuters kunnen zijn, maar nee. Mijn eerste A prijkt op het voorblad van een door mij ingeleverde opdracht: een essay over de sloppenwijken in het New York van de jaren ’20 (duidelijk niet voor kleuters). Vol trots heb ik de “letter” genoteerd in de cijferlijst in mijn agenda, hoewel het dus eigenlijk letterlijst zou moeten heten.

Voor diegene die het nog niet wisten, in de VS gebruiken ze niet een schaal van één tot tien in het onderwijs. Die “gekke” Amerikanen, normaal gesproken zo dol op cijfertjes en statistieken, geven letters van A tot F, waarbij A het hoogst is en F (“failure”) het laagst. Om het geheel iets aan te kleden willen docenten er weleens een plus of een min achter zetten. Een A+ is zodoende de best mogelijke beoordeling.

Voordat iedereen denkt dat die Amerikanen weer bijzonder moeten zijn, denk eens aan Duitsland. Daar gebruiken ze een schaal van één tot zes, met een één als hoogste cijfer. Een kort onderzoek op het altijd betrouwbare Wikipedia leert dat bijna elke land ter wereld een ander systeem heeft. Zelfs Europees gezien is er veel verschil. België en Frankrijk hebben een 1-20 schaal, Finland en Roemenië een 4-10 schaal en in Denemarken kun je zelfs een -3 krijgen. (In het kader van de Europese eenwording zou ik zeggen: doe er iets aan!)

Maar weer terug naar de A van Amerika en van mijn essay. Het goede resultaat verraadt dat het studeren goed gaat, al is het wel hard werken. In Groningen is het ritme drie maanden rustig aan, twee weken blokken voor de tentamens. Aan Furman is het drie maanden plus twee weken vol aan de bak. Bovendien heb ik elke dag college. Het is soms net alsof ik terug ben op de middelbare school, maar het hoge niveau helpt me gauw uit die droom.

Ik volg drie vakken: Moderne Politieke Theorie, Afro-Amerikaanse Literatuur en Geschiedenis van de VS, 1890-1941. Veel politiek heb ik nog niet gehad bij het eerste vak. Het gaat voornamelijk over het opvoeden en onderwijzen van kinderen zodat ze later rationele mensen zijn. Een paar voorbeelden: Was babies met koud water zodat ze aan de kou wennen, maak kinderen ongevoelig voor hun verlangens door ze niet te geven wat ze willen, en wees streng in het begin, maar zorg dat je hun vriend wordt als ze opgroeien. Ik kan inmiddels een boekje vol schrijven met opvoedkundige tips als deze. Niet voor kleuters, maar voor ouders.

Het minste plezier beleef ik aan mijn literatuurvak. Elke twee weken een roman lezen, omdat het moet. Hoe leuk het boek ook is, als iets moet gaat de lol er snel van af. Geschiedenis vind ik het leukst. Daar heb ik dan ook de A voor gehaald. Omdat ik in een goede bui ben, krijgen jullie, de lezers, van mij ook een A. De A van adios.

Deze column is onderdeel van een tweewekelijkse serie te lezen op www.emmen.nu en in de papieren versie daarvan.

september 30, 2007

Het Grootste Taboe

Zwaailichten. Sirene. De koplampen van de wagen gaan aan. Binnen no-time zit de campuspolitie achter ons en krijgen we een stopsein. We slaan een zijweg in en parkeren. De bestuurder doet het raam naar beneden. Gespannen wachten we tot de agent naast de auto staat. Hij groet vriendelijk, maar houdt zijn gezicht in een strenge plooi. In de auto gaan drie harten als een gek tekeer.

Zo begon een doodnormale zaterdagavond. Ik was met een paar vrienden nog even naar de supermarkt gegaan om bier te halen voor een feestje. Op zich niets bijzonders. Ware het niet dat op de campus van de universiteit een alcoholverbod geldt (hoewel het niet strict wordt gehandhaafd). Zelfs als je 21 bent en volgens de Amerikaanse wet legaal mag drinken mag je in je eigen privévertrek geen druppel nuttigen.

Dit wist ik van tevoren. Geen probleem. Ik kan best een half jaar zonder een biertje. Ik had alleen het vermoeden dat er stiekem toch zou worden gedronken. Als iets verboden is, gebeurt het juist. Meteen op de eerste avond werden mijn vermoedens bevestigd. Uit de koelkast van een student kwam een tweeliterfles wodka. Tevens het bewijs dat in Amerika alles groter is. Niet alleen de flessen, auto’s en porties bij McDonald’s, maar ook de taboes.

Amerikanen hebben een aparte houding ten opzichte van alcohol. Geen Amerikaan die op zijn 21e niet heeft genoten van het eerste legale drankje. Natuurlijk hebben de meesten al eens eerder het glas aan de mond gezet. Door het grote taboe dat er op rust heeft alcohol onder jongeren een bijna mythische status. Maar grootgebruikers zijn het niet. Dat is ook niet nodig als je na vijf slokken al roept dat je dronken bent.

Het uitgaan is een verhaal apart. Twee keer heb ik tot nu toe het nachtleven van Greenville verkend. Hoewel nachtleven? Om twee uur mag er volgens de wet geen alcohol meer geschonken worden en gaat de kroeg dicht. Lichten aan, uit met de pret. Op zondag is er helemaal geen alcohol te krijgen. Elke tap is dichtgedraaid. South Carolina is een conservatieve staat die onderdeel is van de Amerikaanse Bijbelgordel. En dat is te merken ook.

Waarom we aan werden gehouden? Omdat onze chauffeur bij het oprijden van de campus een stopbord had genegeerd. We raakten in lichte paniek doordat het zojuist aangeschafte bier op de achterbank lag te prijken. Als de campuspolitie dat zou zien, betekende dat een boete van 200 dollar. Snel zette ik de blikjes Budweiser op de grond en schopte het onder de stoel voor me. De agent sprak ons vermanend toe, maar daar bleef het bij. We kwamen er vanaf met een waarschuwing. Met hartslag tweehonderd stapten we thuis uit. We hebben de spanning weggedronken met een biertje.

Deze column verschijnt tweewekelijks op emmen.nu en in de papieren versie daarvan.